‘Vooruitgang is niet doelgericht _ hij gaat gewoon niet altijd opwaarts; het is veel waarschijnlijker dat onze eigen technologische vooruitgang ons als een tovenaarsleerling onherroepelijk inhaalt en ons in de berm van de geschiedenis laat liggen.’
Uit: Wat op het spel staat Philip Blom
Dag boeken, dag bloem der natie
Wat ga je doen met je dagboeken voordat je doodgaat? De laatste vier jaar hield ik elk jaar een dagboek bij, met de bedoeling om een overzicht te krijgen van wat ik allemaal doe sinds ik niet meer hoef te werken. Een soort naslagwerk maar dan zonder index, dus om iets terug te vinden, lastig. Daarom heb ik nu ook een online dagboek, dat zoals ze zeggen, voor de eeuwigheid bewaard blijft. Alleen weet ik nog niet wie dat dan blijft bewerken? Mijn familie telt geen fanatieke schrijvers. Wie pakt dan het pennetje op?
Daarom deze update
Ik durf wel te beweren dat alles dat ik hier schrijf met twee vingers uit mijn eigen toetsenbord geramd werd maar ik citeer ook wel eens wat, uit de krant of uit een boek. Ik vermeld de bron maar hoe weet ik zeker dat de herkomst zuiver is en klopt? Ik stel hier de vraag hoe het verder zal gaan met de website als ik er niet meer ben. Wie pakt dit op?
Nu meen ik hier toch iets aan toe te moeten voegen na ruim 69 jaar op deze aardbol: Artificial intelligence. We droomden over het jaar 2000 waarin alles anders en mogelijk makkelijker zou worden maar toen ontdekten we dat de meeste dromen bedrog zijn.
Ik vraag het gpt 5. 6 Luna en ik krijg een heel uitgebreid antwoord en ik vraag om het samen te vatten. Graag gedaan.
‘Mijn website kan blijven bestaan als ik er niet meer ben,
maar alleen wanneer ik dat nu goed regel.
Ik wijs een betrouwbare beheerder aan.
Ik leg vast wat er met de site moet gebeuren.
Ik bewaar wachtwoorden, back-ups en instructies veilig.
Ik regel geld voor domeinnaam en hosting.
Een AI kan mijn teksten en ideeën helpen bewaren,
maar kan mijn bestaan of bedoelingen niet werkelijk vervangen.
Daarom maak ik duidelijke afspraken over het gebruik ervan.
Zo laat ik niet alleen een website na, maar ook richting en zorg.’
Misschien genereer ik dan eindelijk lezers/volgers maar wat heb ik er aan? Tenzij dat dat parallelle universum toch bestaat en ik er met een knipoog mijn goedkeuring aan verleen. Over knipogen gesproken, ik kan enkel knipogen met mijn rechteroog. Ik kan met mijn linkerhand mijn nagels aan de rechterhand niet knippen met een schaartje. Mijn extreem rechtse hersenhelft is waarschijnlijk nauwelijks ontwikkeld en weigert mijn linkerkant efficiënt te besturen. De strijd die woedt onder mijn schedeldak, rondvliegende dakpannen en hier en daar lekkage. Ik hoop stiekem dat het mijn eigenheid, wie ik ben en wie ik was kleur geeft.
https://www.youtube.com/watch?v=UTAqx6V7BVk&list=RDUTAqx6V7BVk&start_radio=1

Of eigenlijk is er nog een foto, toen ik net kon staan. Die zit ergens in een doos, in een album vermoed ik.
Die familiefoto is er wel maar ik weet niet of ik die zal plaatsen. Bijna iedereen die erop staat, ouders, ooms en tantes, opoe en opa zijn dood.
Over mij
Ik kwam in 1957 in de winter in Nunspeet (gemeente Ermelo) ter wereld als eerste kind van piepjonge ouders, vijf maanden daarvoor waren ze getrouwd. Voor zover ik weet was dat niet echt een feest.
De eerste zes jaar woonden we in bij een oude gepensioneerde huisarts, dr Verschoor, voor wie mijn moeder al werkte. Mogelijk al vanaf haar twaalfde jaar maar dat weet ik niet. Wat ik wel weet is dat ze omarmd werd door de familie en niet ongehuwd zwanger op straat werd gezet. Ik kreeg van hen een spaarbankboekje met vijftig gulden.
Op de website hierboven staat een jonge foto van de dokter maar ik heb nog een foto die gemaakt werd op zijn oude dag. Die liet ik een paar jaar geleden aan mijn moeder zien, samen met andere foto’ s. Hij was de enige persoon die ze onmiddellijk kon benoemen.

Ik groeide op in een welgestelde buurt. Mijn buurmeisje kreeg een roze plastic poppenwagen en ik moest het doen met een rotan wagentje waarvan de kap niet omhoog gezet kon worden. Er was een grote tuin achter het huis. Daar dwaalde ik graag rond. Er was een hek en daarachter zag ik kinderen in een zandbak. Ze woonden daar in een kindertehuis en mijn verlangen groeide om daarbij te horen. Mijn ouders waren dat gezeur op een gegeven moment zat, ze zetten mij en mijn inmiddels geboren zusje op de fiets en zeiden dat ze ons naar het kindertehuis gingen brengen. Misschien de eerste leugen die ik hoorde in mijn korte leven want aan het eind van de fietstocht waren we gewoon weer thuis.

https://sites.google.com/site/virtueleoudheidkamernunspeet/geschiedenis/bleekneusjes

Als je goed kijkt (met een beetje fantasie) zie je linksonder de zandbak. Ik ben blij omdat er niemand bij stond als ik door het hek gluurde en nu weet ik dat ik het niet verzonnen heb. Alleen die kinderen, de stadse bleekneusjes die daar speelden en ik waren erbij. Weten zij het ook nog, herinneren zij zich dat kind dat verlangend naar hen keek?

Achter op de fiets bij mijn moeder bracht ze me naar de kleuterschool. Dan reden we over de Bosweg en daar stond aan de rechterkant een prachtig boerderijtje. Daar woonde de kunstschilder Jos Lussenburg (https://nl.wikipedia.org/wiki/Jos_Lussenburg) maar dat wist ik toen uiteraard niet. Zijn huisje had een magische invloed op mij, de kleuren helderrood, geel en groen en een pomp ernaast in de zelfde kleuren, ik zag een sprookje.

Ik zoek op Googlemaps op hoe het er nu uitziet. Heel acceptabel met lichtgeel en groen, veel groen erom heen. Niet verkeerd om er te wonen.
Daarnaast lag hotel Ittmann, met een oranje tennisbaan in het groen. Vond ik ook fascinerend om te zien. Het was een groot kleurenspektakel.
Later heb ik nog een kort gedichtje over die herinnering geschreven maar dat moet ik opzoeken.
Toen de dokter stierf (Geboren: Breda 13-11-1872
Overleden: Nunspeet 09-02-1963) moesten we verhuizen. Inmiddels was het gezin uitgebreid met nog drie kinderen en ik herinner me dat we verhuisden in een busje. Het was een kleine arbeiderswoning met een rieten dak, niet ver van de villa.
Van het tweede adres vind ik niet direct een foto uit 1963 want het was geen monument. Gebouwd in 1920, een tweekapper heet dat nu, wat een lelijk woord is. Op onderstaande foto staat ons huis niet maar het zag er zo uit, met een rieten dak en het lag aan de rand van het dorp maar dat veranderde snel.



Kabouters in het bos
Godfried Bomans: De dood van de sprookjesverteller
Er was eens een sprookjesverteller en die ging dood. Hij had zijn hele leven lang over kabouters verteld en nu wilde hij, voor zijn dood, nog een kabouter zien, een werkelijke kabouter. Hij zocht in de provisiekast, in de ontbijttrommel, onder het buffet, maar er was nergens een kabouter te vinden. Nu begon de sprookjesverteller te wenen: ‘Ach, lieve God,’ sprak hij, ‘ze zijn op. Er is er geen eentje meer! Ik heb mijn hele leven vast geloofd dat er kabouters waren, maar nu zie je wat je er van denken moet. Hij heeft toch gelijk gehad, de kruidenier van hiernaast die mij altijd zo uitlachte. Nu heb ik niets meer van het leven te verwachten.’
De sprookjesverteller wachtte en wachtte; toen draaide hij zijn hoofd om en keek door het tuinraam; de Dood stond daar, naast het rozenboompje, en knikte hem toe.
En de Dood kwam. En hij nam hem in zijn armen en legde hem voor Gods voeten.
‘Wie is dat?’ vroeg God. ‘Dit is een sprookjesverteller,’ antwoordde de Dood, ‘hij is zojuist gestorven.’ ‘Wat was zijn laatste gedachte?’ vroeg God. ‘Hij wilde een kabouter zien,’ antwoordde de Dood verlegen. God glimlachte. ‘Dat is een zeer goede gedachte,’ zeide hij, ‘laat hem derhalve binnen.’
Dit is niet het hele verhaal maar online kan je dat eenvoudig vinden. Naast het sprookje van De rijke bramenplukker is dit een van mijn favorieten



Aan het eind van de straat begon het bos. Daar hebben we veel gespeeld, bij de bruggetjes, waar nooit water in stond.
https://sites.google.com/site/virtueleoudheidkamernunspeet/belvederebos/kabouters
Aan de rand van het bos woonde het kaboutervrouwtje en ze kreeg zelfs enige landelijke bekendheid:
https://www.youtube.com/watch?v=h8hjnPUf770

